Lage fabrieksbezetting zet kostprijs onder druk
De Belgische industrie benut nog 73 procent van haar productiecapaciteit, meldt VRT NWS op basis van cijfers van de Nationale Bank en berichtgeving van De Tijd. Die onderbezetting bemoeilijkt de spreiding van vaste kosten. Voor onderhoudsverantwoordelijken is een onderscheid essentieel: ongebruikte capaciteit wijst niet noodzakelijk op technische problemen.
Volgens VRT NWS zakte de capaciteitsbenutting in het derde kwartaal van 2026 naar het laagste niveau sinds april 2020. Vlaanderen komt uit op 75,3 procent, Wallonië op 67,1 procent. Onder meer de metaalindustrie, de ijzer- en staalverwerking, de machinebouw en de bouwmaterialenproductie staan onder druk.
Patrick Slaets, hoofdeconoom bij technologiefederatie Agoria, wijst tegenover VRT NWS op een zwakke vraag en geremde investeringen door hoge rentevoeten en energiekosten. Volgens hem gingen in de technologische industrie de afgelopen drie jaar al 20.000 banen verloren.
Economische onderbezetting tegenover technische stilstand
De formulering dat bijna drie op de tien machines stilstaan, maakt de terugval aanschouwelijk. Toch meet de indicator het aandeel van de beschikbare productiecapaciteit dat bedrijven benutten. De Nationale Bank bevraagt ondernemingen daarover elk kwartaal. Het gaat dus niet om een telling van afzonderlijke stilstaande machines.
Een onderneming kan minder capaciteit benutten door minder ploegen in te zetten of installaties minder uren te laten draaien. Technisch beschikbare machines kunnen daardoor ongebruikt blijven omdat er onvoldoende orders zijn.
Een lage capaciteitsbenutting zegt op zichzelf dan ook niets over de betrouwbaarheid van installaties of de prestaties van de onderhoudsdienst. Om die te beoordelen, zijn afzonderlijke gegevens nodig over onder meer storingen, technische beschikbaarheid en hersteltijden. Het onderscheid is relevant voor de besluitvorming: een tekort aan orders vraagt een andere aanpak dan productieverlies door defecten.
Vaste kosten wegen zwaarder
Ook wanneer installaties technisch in orde zijn, kan onderbezetting hun economische rendement aantasten. Afschrijvingen, gebouwen en een deel van de personeelskosten dalen niet automatisch mee met het productievolume. Minder geproduceerde eenheden moeten dan dezelfde vaste kosten dragen.
Een vereenvoudigd rekenvoorbeeld verduidelijkt dat effect. Bij 100.000 euro vaste kosten en 10.000 geproduceerde stuks bedraagt het vastekostenaandeel 10 euro per stuk. Daalt de productie naar 8.000 stuks terwijl die kosten gelijk blijven, dan stijgt dat aandeel naar 12,50 euro: een toename van 25 procent, nog vóór grondstoffen en variabele productiekosten worden meegerekend.
Onderhoud afstemmen op het werkelijke gebruik
Voor onderhoudsplanning is het daarom zinvol om naast productievolumes ook draaiuren, starts en stops en de toestand van installaties te volgen. Minder bedrijfsuren betekenen niet automatisch dat alle onderhoudsbehoeften evenredig afnemen. Kalendergebonden controles en voorschriften van de fabrikant blijven aandachtspunten.
Een periode met minder productie kan ruimte bieden voor inspecties of gepland onderhoud. Of dat haalbaar is, hangt af van de beschikbare mensen, onderdelen en budgetten, maar ook van de vereiste inzetbaarheid wanneer de vraag opnieuw aantrekt.
Investeringen vragen een gerichte afweging
Onderbezetting geeft evenmin op zichzelf uitsluitsel over de zin van een investering. Extra productiecapaciteit vraagt een andere afweging dan een vervanging die energieverbruik, onderhoudskosten of storingsrisico’s vermindert.
Bij de beoordeling moeten bedrijven rekening houden met realistische gebruiksuren. Een besparing per draaiuur levert bij een lagere bezetting immers minder jaarlijkse opbrengst op. De nationale cijfers bieden economische context; de keuze voor onderhoud, modernisering of vervanging vraagt gegevens over de eigen installaties en productievooruitzichten.
Bronnen: VRT NWS, met verwijzing naar berichtgeving van De Tijd en cijfers van de Nationale Bank van België; methodologische toelichting van de Nationale Bank. Het rekenvoorbeeld en de duiding over onderhoud en investeringen zijn eigen redactionele aanvullingen.